Het kader
Ik wilde nooit het schilderij zijn.
Liever de rand.
Daar heb je overzicht.
Daar hoeft niemand naar je te kijken.
Daar kun je vasthouden zonder zelf vastgehouden te worden.
Misschien leer je dat vanzelf wanneer je vaak genoeg mensen kwijtraakt die ooit vanzelfsprekend waren.
Aan de dood.
Aan hun eigen hoofd.
Aan het leven, dat soms zonder aankondiging besluit dat twee wegen niet langer dezelfde kant op gaan.
Daarna ga je anders liefhebben.
Voorzichtiger misschien.
Je zorgt dat mensen je niet te hard nodig hebben.
Dat ze weten waar alles ligt.
Dat het ook zonder jou werkt.
Misbaar worden als vorm van risicobeheersing.
Want wie noodzakelijk is, kan niet verdwijnen zonder schade achter te laten.
En toch zijn er altijd een paar mensen die roet in dat zorgvuldig opgebouwde systeem gooien.
Die niet alleen zien wat je doet.
Niet je functie. Niet wat je oplost. Niet hoeveel je draagt.
Maar jou.
Die koffie neerzetten zonder te vragen.
Die je vreemde kleine werelden begrijpen.
Die blijven zitten wanneer er allang niets meer gezegd hoeft te worden.
Vervelende mensen eigenlijk.
Want ineens blijk je ergens bij te horen.
Niet in het midden.
Daar heb ik nog steeds niets te zoeken.
Gewoon aan de rand.
Als het kader.
Niet bedoeld om bewonderd te worden.
Wel om iets wat je lief is bij elkaar te houden.
En misschien zit precies daar het probleem: ik wilde misbaar worden.
Maar sommige mensen blijven hardnekkig doen alsof ik wezenlijk ben.
Opmerkingen